Zodra ze het briefje las, stortte ze volledig in. Er stond slechts een kort berichtje in een wankel handschrift: « Help me… » En daaronder een adres.
Een rilling liep over Emma’s rug. « Wat is er gebeurd? » vroeg een stem in de buurt. « Gaat het wel goed met je? »
Emma hoorde ze nauwelijks. Diep vanbinnen wist ze dat het geen toeval was. Het was geen grap of een simpel ongelukje.
Zonder een seconde te verspillen pakte ze haar telefoon en belde de hulpdiensten. « Ik heb onmiddellijk hulp nodig, » zei ze zodra iemand opnam. « Ik weet niet precies wat er aan de hand is, maar ik denk dat er iemand in gevaar is. » Daarna las ze het adres hardop voor.
Binnen enkele minuten wemelden het van de politieauto’s en ambulances door de straten van de stad. Emma zat in een van de voertuigen en klemde de envelop tegen haar borst. Naast haar staarde de hond, stil en roerloos, de weg af alsof hij hen de weg wees.
Uiteindelijk kwamen ze aan bij een oud gebouw. Achter een paar ramen scheen een zwak licht, maar de ingang was donker en stil.
De politieagenten haastten zich de trap op, gevolgd door Emma, met een bonzend hart. Ze bereikten het appartement dat op het briefje stond aangegeven. Een van de agenten klopte hard. Geen antwoord. Hij klopte nogmaals. Nog steeds niets.
Plotseling hoorden ze het allemaal. Een zwak geluid van binnenuit, nauwelijks hoorbaar. Het klonk als een zwakke ademhaling… of iemand die om hulp probeerde te roepen, maar zonder kracht.
De agenten wisselden een snelle blik. Een van hen deed een stap achteruit en trapte de deur open.