Maren hield op met vragen hoe haar vader was overleden.
In plaats daarvan vroeg ze wie hij was geweest.
Waar moest hij om lachen?
Wat hij in restaurants bestelde.
Of hij in de auto zong.
Ik heb haar alles verteld.
Hij liet de pannenkoeken aanbranden, maar weigerde op te geven.
Hij zong luid en vals.
Dat hij huilde toen hij haar voor het eerst vasthield, en volhield dat hij niet huilde, zelfs terwijl hij zijn ogen afveegde.
Op een avond speldde ze de medaille vast naast een oude foto van hem waarop hij haar als peuter vasthield.
Ze bleef daar lange tijd staan.
‘Ik denk dat ik hem nu beter ken,’ zei ze zachtjes.
Ik stond naast haar en keek naar de man van wie ik had gehouden.
‘Ik ook,’ zei ik.
Het probleem is nog niet opgelost.
Zo werkt rouw niet.
Maar nu is alles duidelijker.
Maren draagt ??de herinnering aan haar vader niet langer met zich mee alsof het iets is dat ze in haar eentje moet verdedigen.
En hoe lang het ook duurde, hij werd uiteindelijk ge�erd in het bijzijn van de persoon die het het meest nodig had.