De weg was bedekt met een witte laag sneeuw, als een kerkhof, en het gehuil van mijn pasgeboren baby was het enige dat me ervan weerhield erin weg te zakken. Ik hield Lily in mijn jas gewikkeld tegen mijn borst, maar haar kleine lijfje schudde nog steeds bij elke gure windvlaag.
‘Nog een klein stukje,’ fluisterde ik, hoewel ik geen idee meer had waar dat ‘nog een klein stukje’ was.
Achter me gloeide het landhuis van mijn ouders warm en goudkleurig door de storm heen. Binnen was mijn moeder waarschijnlijk thee aan het inschenken, terwijl mijn vader de sloten van de deuren controleerde.
Een uur eerder had ik in hun marmeren hal gestaan, met nog opgedroogd bloed onder mijn ziekenhuisarmband.
‘Papa, alsjeblieft,’ smeekte ik. ‘De baby heeft het ijskoud. Laat mij de auto even meenemen.’