Dus bleef ik.
Ik bracht glazen water.
Las tijdschriften voor.
Leerde welke kamers altijd koud waren.
En welke verpleegkundigen zacht neurieden wanneer het druk werd.
Mensen noemden mij zorgzaam.
Ze hadden ongelijk.
Ik verstopte mij op de enige plek waar verdriet logisch voelde.
Thomas zag dat eerder dan ikzelf.
Hij was tweeënzeventig.
Magere wangen.
Een vermoeide glimlach.
En altijd die groene rugzak naast zijn stoel.
Hij sprak nooit als iemand die op sterven lag.
Hij sprak als iemand die mensen aandachtig bewaarde.
‘Is de kleinzoon van de vrouw uit de kantine inmiddels geslaagd voor zijn rijexamen?’ vroeg hij eens.
‘Geen idee.’
‘Ze vertelde dat hij dinsdag examen had.’
‘Onthoud je dat allemaal?’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Ze vertelde het.’
Een andere keer kwam schoonmaakster Lila zingend binnen.
‘Dat liedje weer?’ glimlachte Thomas.
‘Mijn moeder hield ervan.’
‘Dat weet ik.’
Ze keek hem verrast aan.
‘Dat heb je onthouden?’
Hij glimlachte alleen maar.
Dat was Thomas.
Tenminste…
Dat dacht ik.
Een vriendelijke, eenzame man die langzaam afscheid nam van het leven.
Op de vierde dag vroeg hij me ten huwelijk.
‘Sarah… wil je met me trouwen?’
Ik verstijfde met een beker ijsblokjes in mijn hand.
‘Thomas…’
‘Ik weet het.’
‘Je bent erg ziek.’
‘Ja.’
‘We kennen elkaar nauwelijks.’
Hij keek me lang aan.
‘Ik weet genoeg.’
‘Genoeg om te trouwen?’
‘Genoeg om te weten dat jij blijft.’
Twee dagen later trouwde een ziekenhuispastoor ons in zijn kamer.
Ik droeg een gele trui omdat Thomas zei dat de kamer daardoor vrolijker leek.
Hij droeg hetzelfde vest met de ontbrekende knoop.
Toen de pastoor naar de ringen vroeg, trok Thomas voorzichtig het lipje van zijn frisdrankblikje los en schoof het om mijn vinger.
‘We doen gewoon alsof je vinger verlegen is,’ lachte hij.
Zeven dagen lang was ik zijn vrouw.
Ik tekende formulieren.
Legde dekens recht.
Smokkelde betere thee naar binnen.
Bleef naast hem zitten wanneer de pijn zijn ademhaling zwaar maakte.
Vlak voor het einde opende hij nog één keer zijn ogen.
‘Verwar stilte nooit met vrede.’
‘Wat bedoel je?’
‘Dat begrijp je later.’
Hij glimlachte zwak.
Daarna viel hij in slaap.
En werd nooit meer wakker.
<!–nextpage–>
Ik zette de groene rugzak thuis op mijn keukentafel.
Bijna twee uur liep ik er alleen maar omheen.
Mijn moeders mok stond nog altijd naast de gootsteen.
Ik had hem sinds haar dood niet verplaatst.
Ik hield mezelf voor dat ik daar nog niet klaar voor was.