Na drie maanden kwamen ze niet meer. Niet uit onverschilligheid, maar omdat ze me gewoon op mijn woord geloofden.
Mijn dag ziet er nu zo uit: ik word om zes uur wakker, want al veertig jaar sta ik om zes uur op. Ik zet een kop thee. Ik drink die aan tafel, waar niemand tegenover me zit. Ik was de kop af. Ik veeg het aanrecht schoon. Ik ga naar Biedronka, want dat is de enige plek waar ik het huis uit moet. Ik koop brood, melk en een appel. Ik kom terug. Ik kook het avondeten, hoewel koken voor één persoon een ramp is – de helft van de soep belandt in een bakje in de koelkast, waar het blijft staan tot ik het eruit giet. Ik eet. Ik doe de afwas. Ik kijk tv zonder naar het scherm te kijken. Ik ga om negen uur naar bed.
En ergens in dit alles is er een moment in Biedronka waarop dit meisje – misschien drieëntwintig jaar oud, mager, met een vlecht zo dik als een vuist – vrolijk tegen me zegt:
– Tot morgen, mevrouw Krysia!
Ze zei het voor het eerst zes maanden geleden. Ik was verbaasd. Ik wist niet hoe ze mijn naam wist. Toen herinnerde ik me het – ik had een keer met de kaart betaald, en er stond « Krystyna Jabłońska » op de kaart. Ze moest het wel even nakijken.