Op die koude, regenachtige oktobernacht draaide het Hoofd Militair Klinisch Ziekenhuis in Kiev op volle capaciteit. De regen kletterde tegen de ramen van de trauma-afdeling, terwijl Zinaida Pavlovna Kravchuk, de hoofdverpleegster met dertig jaar ervaring, met een strenge blik de formulieren onderzocht.
Plotseling klonk er een timide stem. De nieuwe verpleegster was net gearriveerd. Dezelfde van wie al geruchten de ronde deden dat ze met een heleboel problemen van de polikliniek was gekomen.
Zinaida Pavlovna zuchtte diep. Nieuwe patiënten die midden in de nacht arriveerden, betekenden altijd extra complicaties. Zeker in een militair ziekenhuis, waar Oekraïense helden werden behandeld en waar fouten simpelweg geen optie waren.
Voor haar stond Anna Sergejevna Moroz. Haar lichtblonde haar was strak in een knot gebonden. Haar grijze ogen hadden een vreemd stille, bijna onheilspellende blik. Haar groene uniform hing onhandig om haar heen, alsof het nooit echt voor haar gemaakt was.
Uit haar dossier bleek een onderbreking van acht jaar. De verklaring was simpel: zwangerschapsverlof, daarna ziekte. Toch verontrustte iets aan haar kalmte Zinaida Pavlovna. Deze stilte leek te diep, te droog, als een verschroeide steppe die in haar verborgen lag.
Een aankomst die de hele afdeling intrigeert.
Katia Voronko nam de nieuwkomer onder haar hoede. Ze liet hem de gangen, de kamers en de dagelijkse gang van zaken op de afdeling zien, terwijl ze met het gemak van iemand die elke hoek van de werkplek kent, over de artsen en de patiënten sprak.
Anna luisterde zonder te onderbreken. Ze knikte beleefd, maar stelde vrijwel geen vragen. Ze onthulde niets over zichzelf. Geen detail, geen persoonlijke opmerking, zelfs geen grapje om het ijs te breken.
Katia vond haar vreemd. Bevroren. Alsof iets in haar was blijven steken, ver achter het heden.
Vlak bij de lift brachten ze een gewonde man in camouflage-uniform binnen, onder het bloed. Op dat moment verstijfde Anna. Haar gezicht werd lijkbleek en Katia meende een flits van pure angst in haar ogen te zien.
Die blik was niet zomaar een reactie op bloed of de heftigheid van een verwonding. Het leek op herkenning, een herinnering die te snel terugkeerde.
Katia vroeg zich af of Anna deze man kende. Maar de nieuwe verpleegster keek abrupt weg en mompelde dat ze de rondleiding moesten voortzetten.