Ik trouwde met een man die alleen een vrouw zocht om zijn kippen te verzorgen, maar samen maakten we van zijn vervallen boerderij de trots van de hele grensstreek.

De dag waarop Ezechiël Arriaga per brief om een vrouw vroeg, begroef hij ook het laatste restje van zijn trots.

Hij zocht geen liefde.

Geen tedere woorden bij het haardvuur.

Hij zocht twee sterke handen om de kippen te voeren, het vuur brandend te houden en te voorkomen dat zijn afgelegen ranch instortte terwijl een schuld hem langzaam zijn land afnam.

Hij verwachtte een rustige, dankbare vrijster.

In plaats daarvan stapte ik uit de postkoets.

Mijn eerste blik viel niet op zijn brede schouders, zijn ruige baard of het litteken boven zijn wenkbrauw.

Ik keek naar de verrotte wielen van zijn wagen.

‘Als dat uw wagen is, meneer Arriaga,’ zei ik, ‘halen we de ranch nooit levend.’

Hij knipperde verbaasd.

De ijzige wind joeg door San Miguel del Cobre, een klein mijnstadje in Chihuahua. Modder, oude sneeuw en rook vulden de straat.

‘U bent Inés?’

‘Ja.’

‘De Amerikanen noemen mij soms Zeke.’

‘Ik niet. Voor mij bent u Ezechiël.’

Hij wilde mijn koffer dragen.

‘Dat hoeft niet.’

‘Ik kan hem wel tillen.’

‘Ik draag hem al sinds Durango. Maar als u zich nuttig wilt voelen, gaat uw gang.’

Hij moest lachen.

Drie uur later bereikten we de ranch.

Of beter gezegd…

Een scheefgezakte blokhut.

Een half ingestorte omheining.

Een kippenhok van rotte planken.

Twee magere muildieren.

En een gele hond die te lui was om op te staan.

Nog voordat ik iets kon vragen zei hij:

‘Een deel van de ranch is verpand. Ik ben jager, geen boer. De grond wil mij niet.’

Ik keek rustig rond.

‘Is er koffie?’

‘Binnen.’

‘Mooi.’

‘Die zullen we nodig hebben.’

De volgende ochtend werd hij wakker van bijlslagen.

Ik stond buiten hout te hakken.

‘U maakt uw rug kapot,’ bromde hij.

‘Iemand moest vuur maken. U lag nog te slapen.’

Hij pakte de bijl uit mijn handen.

‘Dat is mijn werk.’

‘Het vuur brandt al. De hond heeft gegeten. Het huis is schoon. Ik probeer alleen te voorkomen dat we doodvriezen.’

Even later zat ik aan tafel met zijn kasboek open.

‘Wat doet u?’

‘Onze ondergang lezen.’

‘Dat zijn mijn papieren.’

Ik legde mijn hand erop.

‘Sinds gisteren zijn ze van ons allebei.’

Ik keek hem aan.

‘U hebt driehonderd peso schuld.’

‘Dat weet ik.’

‘Vorige maand verkocht u hout en kocht u daarna een nieuw richtvizier voor uw geweer én drank.’

‘Een jager heeft een goed geweer nodig.’

Als je wilt doorgaan, klik dan op de knop “Volgende” hieronder ⤵