Een soldaat draaide één sigaret om als stille hoop. De redenering: als je lang genoeg in leven bleef om het hele pakje door te roken en bij die laatste, omgedraaide te komen, had je geluk gehad. Dan was je nog niet gesneuveld. Dat ene exemplaar werd zo een kleine gok op de toekomst.
Een praktische variant: niet verraden worden
Er bestond ook een minder romantische versie van het ritueel. Soldaten draaiden soms juist alle sigaretten om, op één na. De reden was praktisch: bij het roken brandde dan eerst het merk en het logo weg.
Een weggegooide peuk verraadde zo niet meteen dat er een Amerikaanse roker in de buurt was geweest. Voor patrouilles in vijandelijk gebied kon dat het verschil maken tussen onopgemerkt blijven en gevaar lopen. Het bijgeloof en de tactiek liepen in elkaar over.
Van slagveld naar kroeg
Na de oorlog kwam het ritueel mee naar huis. De zware lading van leven en dood verdween langzaam, maar het gebaar bleef. Het werd doorgegeven aan jongere broers, vrienden en kinderen, vaak zonder dat de oorspronkelijke betekenis nog werd uitgelegd.
Zo kreeg het ritueel een tweede leven. Niet meer als hoop op overleven, maar als gewoon bijgeloof. De gelukssigaret werd de sigaret waarmee je een wens kon doen, of die je bewaarde voor een bijzonder moment, een spannende avond of een belangrijke beslissing.
De ongeschreven regel onder vrienden
In sommige groepen rokers hangt er nog een sociale code aan vast. Wie per ongeluk die omgedraaide sigaret uit het pakje van een ander pakt, of er expliciet om vraagt, moet volgens de regel een heel nieuw pakje terugkopen. Klein, maar effectief.
Het is een licht plagerige manier om te voorkomen dat je voortdurend sigaretten weggeeft aan dezelfde vrienden. Een onderlinge afspraak, met net genoeg ernst om mensen even te laten aarzelen voor ze hun hand uitsteken. Niet iedereen kent of hanteert de regel, maar in bepaalde kringen is hij heilig.