Niet Mila.
Rosa.
Haar stem was scherp.
“Bent u Alexander de Ruiter?”
“Ja.”
“Ik ben Mila’s schoonzus.”
“Ik begrijp—”
“Nee,” onderbrak ze. “U begrijpt niks. Maar u gaat luisteren.”
Ik zweeg.
“Ze heeft me verteld wat u deed. Niet meteen. Ze schaamt zich namelijk zelfs wanneer iemand anders fout zit. Zo is ze. Maar ik heb haar zien thuiskomen. Ze stond te trillen in de gang alsof ze weer terug was op die dag.”
Ik sloot mijn ogen.
“Het spijt me.”
“Dat is makkelijk.”
“Ja.”
Dat leek haar even uit haar ritme te halen.
“Mijn broer,” zei Rosa, “heette David. Hij was vierendertig. Hij kreeg een hartstilstand terwijl Mila het eten stond te maken. Hun zoon was acht. Mila heeft gereanimeerd tot de buren kwamen. Daarna tot de ambulance kwam. Daarna bleef ze doorgaan terwijl ze al zeiden dat het te laat was.”
Ik kon geen woord zeggen.
Rosa ging door.
“Na zijn dood moest ze hun huis uit. Schulden. Te weinig inkomen. Ze nam elk werk aan dat ze kon vinden. Ze kwam bij u terecht omdat uw huishoudmanager zei dat het een rustige plek was. Geen geschreeuw. Geen chaos. Geen mannen die haar lastigvielen.”
Een rustige plek.
Mijn huis.
Ik dacht aan de marmeren vloer.
Aan mij, liggend als een toneelspeler.
“Ze vertrouwde die rust,” zei Rosa. “En u maakte er een proef van.”
Ik verdiende geen verdediging.
Dus gaf ik die ook niet.
“Wat kan ik doen?” vroeg ik.
“Op dit moment? Niets. Laat haar met rust. Betaal haar salaris door zolang ze thuis zit. En als u één keer probeert haar schuldgevoel te gebruiken om terug te komen, dan zorg ik dat iedereen weet wat voor man u bent.”
“Dat zal ik niet doen.”
“Mooi.”
Ze hing op.
Ik betaalde Mila’s salaris door.
Niet als gunst.
Als het absolute minimum.
Daarna begon de stilte.
Een week.
Twee weken.
Ik stuurde geen berichten meer. Ik liet bloemen bezorgen, maar Rosa stuurde ze terug met één kaartje:
Geen bloemen. Verander.
Dat ene woord bleef op mijn bureau liggen.
Verander.