Isabela op weg naar een onbekend leven.
Inhoudstype: C – Verhaalfragment.
De postkoets vervolgde zijn weg over het modderige pad en gleed tussen de kale bomen door als een rijdende doodskist. Het landschap, gehuld in ochtendmist, leek Isabela met stille, oneindige compassie te bejegenen. Elke schok van het voertuig markeerde het ritme van haar toenemende angst. Hoe verder ze van het dorp verwijderd raakte, hoe meer ze voelde dat haar vroegere identiteit vervaagde, alsof iemand die met elke meter die ze aflegde uitwiste.
De hertog d’Arencurt zat roerloos, met rechte rug en zijn mantel over zijn schouders gedrapeerd. Hij leek wel uit steen gehouwen – een monument gevormd door oeroud leed. Zijn blik, gericht naar buiten, verraadde geen enkele emotie. Toch vulde zijn aanwezigheid het hele interieur van de koets en werd een onontkoombare schaduw.
Isabela voelde zijn aandacht, zelfs als hij niet naar haar keek. Een harde, ondoordringbare aura omhulde hem, waardoor ze voorzichtig moest ademen. Ze durfde niet te bewegen. Ze durfde geen vragen te stellen. Ze durfde zelfs niet te hopen.
Na een lang uur sprak de prins eindelijk. Zijn stem was laag en klonk niet warm, maar ook niet vijandig.
— Je vader had geen andere keuze.
De woorden troffen haar als stenen. Isabela bleef stil, niet wetend hoe ze moest reageren. Geen enkel woord kon de schaamte, de verlatenheid en het offer beschrijven die haar tot dit moment hadden gebracht. Ze knikte slechts lichtjes – een gebaar zo fragiel dat het zowel gehoorzaamheid als berusting kon betekenen.
‘In mijn kasteel,’ vervolgde de prins, ‘zal niemand je kwaad doen. Zolang je mij gehoorzaamt, heb je niets te vrezen.’
Hoewel er geen tederheid in deze woorden zat, werden ze het enige houvast waaraan ze zich kon vastklampen. Gehoorzaamheid. Onzichtbaarheid. Woede vermijden. Misschien zou ze later een manier vinden om te ademen zonder te trillen.
De wielen van de koets rolden over de brug en Isabela zag het water beneden: donker, diep en meedogenloos. Even fantaseerde ze erover zich in de stroming te werpen, zich te laten meeslepen en er een einde aan te maken voordat het echt begonnen was. Maar ze kon de moed niet opbrengen. Angst was sterker dan de drang om te ontsnappen.
De weg begon te klimmen. De eerste muren van kasteel Arencurt doemden op tussen de bomen – massief, overweldigend, gebouwd van donkere steen. Ze leken op een berg die iemand had proberen te temmen, maar waar hij nooit echt in was geslaagd.