Tom valt stil, zijn adem stokt. Onze dochter Maite gluurt vanachter de trappen. ‘Wat is er, mama?’ vraagt ze klein.
‘Het is oma maar, liefje. Ga maar naar boven, we komen zo,’ zeg ik, al weet ik niet of het waar is. Mijn gedachten razen. Heeft Luc, die altijd zo’n stille, betrouwbare man leek, echt zijn hele huwelijk weggegooid voor een ander? Maar zodra ik Gerda haar jas afhelp en ze neervalt in onze zetel, is er geen ontkennen meer.
‘Je broer weet het nog niet,’ snikt Gerda. ‘Kan jij hem straks bellen, Tom?’
Tom knikt stom. Mijn mond is droog. Zoveel verborgen verdriet, zoveel leugens – hoe lang al? Ik herinner me Luc op het communiefeest van Maite, amper zes maanden geleden. Zijn lach was weifelend, maar ik zocht er niets achter. Moest ik het wel gezien hebben?
Gerda’s verhaal rolt in golven uit haar. Zij had altijd al een vermoeden, zegt ze, maar Luc gaf nooit iets toe. Tot vanmiddag, toen haar vriendin Rita haar belde met geruchten. Een vrouw, een jonge, die Luc regelmatig op de parking van Delhaize stond op te wachten. En vandaag, toen Gerda thuiskwam, vond ze alleen een korte brief: “Het spijt me. Ik kan niet meer. Ik ben weg. Doe Maite de groeten.”
‘Hij heeft niets gepikt, dacht ik eerst. Nog geen kwartier later ging ik naar mijn kast om geld te nemen voor de bakker… Niets. Alles verdwenen. Mijn bankkaart, mijn cash, mijn erfstukken. Alles. Alleen die schamele brief op de keukentafel.’
Tom balt zijn vuisten, zijn blik star in het ijle. ‘Heel mijn jeugd… wijl hij altijd zei dat eerlijkheid het belangrijkste is. En nu dit?!’