Ik vlei een arm rond Gerda, voel haar beven. Ze ruikt naar natte wol en gebroken dromen. ‘We zijn er voor u, Gerda. U blijft hier vannacht, goed?’
Ze knikt, met holle ogen. De familie, altijd zo hecht, lijkt ineens een kaartenhuis. Ik voel woede opwellen. Hoe durfde Luc? En hoe moeten wij hiermee verder?
‘s Avonds, als Maite eindelijk slaapt en Gerda ligt op het logeerbed, zitten Tom en ik zwijgend aan tafel. De regen is opgehouden, maar in huis hangt een onweerswolk. Tom’s blik is nog steeds leeg, hij doet zijn best zich groot te houden. Dan breekt het door: ‘Hoe kan ik hem ooit nog in de ogen kijken, Sofie? Of hij ons nu bedrogen heeft of nooit meer terugkomt… Ik voel me beschaamd.’
Ik pak zijn hand. ‘Het is niet jouw schuld. Jij hebt niets verkeerd gedaan.’
Tom trekt zijn hand weg. ‘Jou misschien niet, maar ik voel mij zo dom… Ik had misschien iets moeten zien, of mama moeten steunen. Altijd was het Luc die alles besliste. En nu stort alles in. Denk je… Denk je dat hij echt alles aan haar gegeven heeft?’
Het wordt een slapeloze nacht. Ik hoor Gerda wroeten in haar bed, hoor Toms ingehouden gehuil in de badkamer. Mijn eigen hoofd is vol vragen. Vanwaar het geld? Hoeveel wisten wij echt van hun leven, terwijl we altijd dachten alles te weten?
’s Morgens belt Tom zijn broer, Stijn. De telefoon schalt door het huis. ‘Stijn, het is gebeurd. Papa is weg. Hij heeft mama alles afgenomen. … Ja, met die vrouw. … Ja, alles is weg. Zelfs de juwelen van bomma.’ Ik hoor Stijn vloeken. ‘Nooit verwacht van hem. Nooit. We zijn schaakmat, Tom.’
De dagen die volgen zijn een waas van telefoontjes naar de bank, de politie, familieleden. Iedereen heeft een mening. Sommigen zeggen dat Luc altijd al een zwakke was voor mooie praatjes; anderen snappen niet hoe dit zo uit de hand kon lopen. De media staan er buiten aan te kijken. In onze buurt wordt er natuurlijk druk gefluisterd.