Op maandag verschijnt er een zwarte Mercedes voor de deur. Gerda verstijft. Door het raam zie ik Luc uitstappen. Grijs geworden, vermagerd – maar zijn ogen priemen. Hij komt niet verder dan het hek. Tom stormt naar buiten. ‘Wat kom je nog zoeken?’ roept hij. Luc stamelt: ‘Ik moest een paar dingen uitleggen. Het was nooit de bedoeling dat het zo zou lopen…’
‘En het geld dan? De juwelen?’ schreeuwt Gerda achter de deur vandaan. Luc wendt de blik af. ‘Ik kan het niet uitleggen. Het is weg. Zij… ze heeft me verlaten. Alles waar ik op gokte is weg…’
De stilte snijdt. Dit is geen scène uit een film, denk ik. Dit is gewoon onze familie. De jarenlange vriendschap, liefde, de grote diners, de kleine ruzies om niets. Alles in één klap afgebroken.
Die avond staar ik naar de foto op de kast van ons gezin, Tom en ik, Maite die lacht, Gerda met haar koffiekopje. De leegte bij Luc’s afwezigheid is voelbaar. Tom komt naast mij zitten. ‘Denk je dat families kunnen herstellen, Sofie? Als de wortels eens gebarsten zijn… kun je dan nog vertrouwen op wat groeit?’
Mijn hoofd zegt nee. Maar mijn hart wil het proberen. ‘Misschien niet morgen. Maar misschien ooit.’
‘En zal ik papa ooit vergeven?’ Tom fluistert het, als een kind. Ik weet het niet. Maar ik wil het geloven.