‘Ma, kun je nu niet één keer gewoon luisteren?’ De stem van Tom trilt, en hoewel ik mezelf dwing om rustig te blijven, voel ik mijn handen beven boven de ontbijttafel. Mijn hart bonst zo luid dat ik bijna niet hoor wat hij daarna zegt, maar de spanning tussen ons vult de hele keuken. Vroeger zou hij nooit zo tegen mij gesproken hebben. Vroeger was er bewondering in zijn blik, nu zie ik telkens opnieuw dat kleine, teleurgestelde fronsje op zijn voorhoofd wanneer onze blikken elkaar kruisen.
Ik ben 64 jaar, en al heel mijn leven heb ik geprobeerd een goeie moeder te zijn. Mijn man Luc en ik bouwden, net als zovele mensen uit onze straat, aan iets dat onze kinderen ooit een betere toekomst zou bieden. Ons huis in Kontich was altijd gevuld met gelach, ruzietjes en de geur van Luc zijn befaamde tomatensoep op zondag. De kinderen – Tom en zijn zus Els – waren onze trots. We hebben nooit een groot fortuin gehad, maar we waren rijk, dacht ik, als ik hun slapende gezichtjes zag.
Na Luc zijn overlijden, bijna tien jaar geleden, veranderde er veel. De stilte in huis werd loom en zwaar. Els trouwde snel, verhuisde naar Gent en kreeg een gezin. Tom daarentegen, bleef langer thuis. Hij had ambitieuze plannen, zei hij. ‘Waarom zou ik hier niet iets bouwen, ma?’ vroeg hij op een dag met die grote, hoopvolle ogen. ‘De grond is van ons, ik wil later niet alles kwijt zijn aan absurd dure appartementen.’