‘Waarom kijkt ge nu alweer zo scheef naar mij, Marie?’ Haar woorden snijden als een mes door de damp uit mijn tas koffie. De geur van verse koffiebonen mengt zich met die van regen die op het oude houten terras tikt. Mijn zoon, Tom, zit er net tussenin, ongemakkelijk schuivend op zijn stoel, een blik die dringend vraagt om bemiddeling die ik deze keer niet kan leveren. ‘Ik kijk helemaal niet scheef, Sarah. Ik probeer gewoon… te begrijpen.’ Mijn stem trilt, maar ik blijf rechtop zitten, hoewel mijn hart zich schrap zet voor een nieuwe golf onbegrip.
Iedereen zegt altijd dat een schoonmoeder haar plaats moet kennen, dat zacht zijn beter werkt dan kritiek, maar waarom voelt mijn zwijgen dan als verraad aan mezelf? Het huis aan het meer was vroeger de veilige haven voor de familie. Hier kwamen we samen met mijn ouders, later met mijn zussen en hun kinderen – gelach, geplaag, een glas wijn bij de vuurkorf. Maar sinds Tom samen is met Sarah voelt het als niemandsland: ik mag erbij zijn, maar word telkens herinnerd aan het feit dat ik niet meer de spil ben, alleen het bijwiel.
Tom, mijn enige zoon, mijn oogappel, is altijd gevoelig geweest. Op school verdedigde hij de zwakkeren, thuis was hij de eerste die toegegeven als er ruzie was met zijn nichten. Ik heb hem alleen opgevoed nadat zijn vader, Geert, het te druk kreeg met zijn luide nieuwe leven in Oostende. Die eerste maanden na de scheiding heb ik Tom beloofd altijd aan zijn zijde te staan. Maar deze belofte botst nu tegen de realiteit van volwassenheid en zijn eigen gezin.