Ik voelde me gevleid, opgelucht zelfs: mijn zoon wilde niet zomaar vertrekken. Ik was al bang om alleen achter te blijven tussen de halflege kasten en vergeten fotokaders. ‘Natuurlijk, jongen. Dit huis is ook van jou. Misschien kunnen we verbouwen, een deel voor jou en Leen (zijn vriendin), een deel voor mij?’ stelde ik voor. En zo gebeurde het – met veel overleg, papierwerk, bezoekjes aan de notaris, overal adviezen van familie (“Zijt ge zeker, Mia? Wat als het misloopt?”), maar ik was vastberaden. Voor mijn kinderen wilde ik alles doen.
Tom zette zijn schouders eronder. Met Leen trok hij het bovenste verdiep onder handen, maakte een eigen keuken en een badkamer. Het was overweldigend, al dat jong volk en verbouwingsstof. Maar toch: het idee dat mijn zoon zou blijven, stelde me gerust. We waren één groot huis, twee gezinnen – dacht ik. Samen, maar met ieders privacy. Zo moest het zijn.
Langzaamaan merkte ik de barsten. Tom kreeg een nieuwe job in Brussel, kwam gestrest thuis, Leen begon over kinderen. Ze wilden hun eigen leven leiden, hun eigen keuzes maken. Mijn aanwezigheid werd een ongemakkelijke constante. ‘Ma, kun je voortaan kloppen als je naar boven komt?’ vroeg Leen voorzichtig. Daarna kwam het verzoek om hun ‘gedeelte’ helemaal af te sluiten: een aparte deur, hun bel.
Els merkte het op tijdens een familiefeestje. “Mama, ga je je daar wel goed bij voelen?” vroeg ze zachtjes, terwijl ze afwast in mijn keuken. “Misschien had je beter iets kleinsers voor jezelf gezocht.” Ik wuifde het weg, lachte geforceerd. “Oh Els, dat komt wel goed. Tom blijft toch in de familie wonen.”