Vanaf dan begon het. Kleine, schrijnende ruzies. De vaatwas die te luid is, mijn radio die stoort tijdens hun thuiswerkdagen, het feit dat ik koffie drink op mijn terras dat nu ‘hun uitzicht’ is. Soms voel ik Tom langs mij lopen zonder groeten, enkel een snelle blik op het schermpje van zijn smartphone alsof hij wegvlucht naar een andere wereld. ‘Je begrijpt het niet, ma. Het is ons leven nu. We willen privacy. Je loopt constant in de weg,’ fluisterde hij laatst terwijl Leen even niet luisterde.
Ik sliep nachten niet. De muren die ik met mijn blote handen schilderde, voelden plots vreemd aan. Soms voelde ik me een gast in mijn eigen huis. De muren, die ooit mijn gezin samenbrachten, werden een grens. ‘Misschien ben ik de lastpost van wie mensen fluisteren waar ze niet oud mee willen worden,’ dacht ik. Ik bleef alles doen voor hen, kookte soep, streek hun lakens, bracht post. Zelfs de hond van Tom kreeg ik geregeld in mijn armen geduwd: ‘Hij moet zijn pootjes strekken, ma, wij hebben geen tijd.’
Na een zoveelste incident, toen ik ’s avonds de voordeur openliet omdat ik Els verwachtte, stormde Tom naar beneden. ‘Kun je misschien eens opletten? Leen is doodsbang alleen thuis als jij altijd alles open laat.’
‘Tom, ik dacht enkel aan Els. Je zus…’
‘Altijd Els, altijd jij, nooit wij. Dit is niet gewoon meer jouw huis, mama. Jij verpest onze rust, onze privacy. Je staat nergens tussen. Je snapt het niet.’ Zijn woorden vielen als harde stenen. Het was de eerste keer dat hij rechtuit zei wat ik al maanden voelde.
Die nacht lag ik te piekeren, alleen met de herinneringen aan Luc en het huis vol stemmen van vroeger. Mijn handen trilden, niet van ouderdom maar van twijfel: wat ben ik nog waard als moeder, als mijn eigen zoon mij liever elders ziet?