Emma kwam binnen, haar blik moe, haar stem jonger dan haar ogen. ‘We hadden er écht op gerekend, Mieke. Weet je hoe hard dat aankomt?’ Ze zuchtte diep en keek naar Tom voor steun. ‘We willen gewoon het beste voor Lien.’
Dat maakte het net zo pijnlijk. Alles draaide om Lien; de zaterdagse uitstapjes in het Vrijbroekpark, haar handje in de mijne, haar tekeningen voor me. Ik wilde alles voor haar doen — maar wat als ik dan Tom en Emma afhankelijk hield? Waar was de grens tussen helpen, en hen vastzetten in grenzeloze verwachtingen?
Tom stond op, duwde de stoel hard achteruit. ‘Genoeg. Als je niet wilt helpen, zie dat dan ook maar nooit meer als wij hier zijn.’
Ik probeerde erover te praten, te smeken bijna, maar hun beslissing stond vast. Die dag ging Lien met hen mee, zonder dat ik haar nog kon omhelzen.
De dagen die volgden, waren leeg. Mijn huis voelde plots veel te groot. Ik hoorde Lien ’s avonds bijna, in het ritselen van papieren, de geur van haar mouwtjes, maar het was allemaal weg. Ik probeerde te bellen — Emma nam niet op, Tom stuurde enkel: “Laat ons met rust.”
Op dinsdag kwam mijn zus Annemie langs. Zij en ik praten nu vaker, misschien omdat zij de enige is die begrijpt hoe diep de put is waarin ik gevallen ben.